Onderwijs voor allen

​​Leerkrachten kijken goed naar de kinderen in hun groep: tijdens de  instructie,  als de kinderen aan het werk zijn of als ze met elkaar spelen. Zij  stellen zich vragen als:

  • Is een kind geïnteresseerd en gemotiveerd om te leren?
  • Begrijpt een kind een instructie snel of is er veel herhaling nodig?
  • Heeft een kind zelfvertrouwen en een positief zelfbeeld?
  • Heeft een kind een goede positie in de groep?
  • Heeft een kind een goede werkhouding?
  • Wat kunnen wij doen om te zorgen dat de ontwikkeling van een kind  optimaal verloopt?
  • Welke leerstrategie hanteert een kind?
 
De dagelijkse observaties van de leerkracht vormen de basis voor goed onderwijs. Vanaf groep groep  3 houden wij de leerresultaten bij met methode-gebonden toetsen en  toetsen behorend bij het leerlingvolgsysteem. Met de methode toetsen meten wij in hoeverre de kinderen  zich aangeboden leerstof hebben eigen gemaakt. Naast deze toetsen gebruiken wij landelijk genormeerde toetsen die onderdeel uitmaken van het leerlingvolgsysteem. Daarmee wordt de ontwikkeling van kinderen over een langere periode in kaart gebracht,  die kan worden vergelijken met landelijke gemiddelden. In de onderbouw worden leerlingen gevolgd met op kleuters gerichte observatie-instrumenten.

Ouder(s) ontvangen in maart een uitgebreid verslag en tweemaal per jaar een ontwikkelingsgrafiek met de scores voor taal en rekenen.  De ontwikkeling van kinderen worden twee, in individuele gevallen drie maal, per jaar tijdens een 10-minutengesprek met ouder(s) besproken.

Passend onderwijs
Wij streven ernaar om aan alle leerlingen passend onderwijs te bieden. Dit wil zeggen dat wij kijken naar de onderwijsbehoeften van elk kind. Sommige leerlingen hebben behoefte aan meer of andere begeleiding (in of buiten de groep). Leerlingen met diverse onderwijsbehoeften de juiste begeleiding bieden noemen wij Passend Onderwijs. De verschillende vormen van leerlingoverleg vormen de basis van passend onderwijs binnen de school: leerkracht met intern begeleider, intern begeleider met directie en het zorgbreedte overleg. De begeleiding van leerlingen verloopt volgens een vast traject. Zes keer per jaar worden alle leerlingen besproken door de groepsleerkracht met de IB’er. Er wordt gekeken welke leerlingen extra ondersteuning nodig hebben en hoe die het best gerealiseerd kan worden. Er wordt een handelingsplan opgesteld. Ouders worden op de hoogte gesteld van deze extra inzet.

Bij onvoldoende resultaat van de extra ondersteuning kan een leerling worden ingebracht in het Zorg Breedte Overleg (ZBO) in de school of bij het Multi Disciplinair Overleg (MDO) bij het Ouder-Kind-Team. In beide gevallen zijn de ouders bij het overleg aanwezig. Hieruit kan naar voren komen dat de leerling gaat werken met een bijgesteld handelingsplan of dat er verder onderzoek nodig is.

Het zogenaamde ‘handelingsgericht werken’ is leidend voor ons in het bieden van goed onderwijs: Wat is er mogelijk voor deze leerling, in deze groep, op deze school en met deze ouders? De Regenboog werkt hiervoor met alle basisscholen en twee scholen voor speciaal basisonderwijs in Zuidoost samen. Sinds de invoering van de Jeugdwet (een vervanging van de Wet op de jeugdzorg) werkt het Ouder-Kind-Team nog nauwer samen met het onderwijs. Afstemming van onderwijs en zorg kan zo nog beter worden gerealiseerd. Ons passend onderwijs streeft naar optimaal onderwijs voor alle kinderen, met de mogelijkheid om per groep ongeveer 1 tot 3 leerlingen met een complexe onderwijsbehoefte op te nemen. Voor een optimaal leerklimaat in een groep is van belang:
- te kunnen voldoen aan de onderwijsbehoefte van alle kinderen; - dat de groepsleerkracht op normale wijze haar/ zijn taak kan vervullen en kundig (ervaren) genoeg is om leerlingen met een complexe onderwijsbehoefte te helpen;
- dat de testgegevens van de leerling en /of het onderwijskundig rapport beschikbaar is;
- dat er een evenwichtige balans is tussen leerlingen met verschillende onderwijsbehoeften, waarbij de aspecten sociaal-emotionele gesteldheid, taal en cognitieve achterstand de beoordelingscriteria vormen.

Het kan zo zijn dat onze school niet kan voldoen aan de onderwijsbehoeften van een leerling. Een leerling kan ondersteuning nodig hebben die wij hem niet kunnen bieden. In dat geval wordt samen met de ouders, de leerkracht en de intern begeleider (en eventueel externe instanties) gekeken naar de beste plek voor deze leerling.