Doelen in het onderwijs

Doelen onderwijs in relatie met visie
Wat is belangrijk bij ontwikkelingsgericht onderwijs?
Een kind dat als vierjarige de basisschool binnen komt, stapt in een geheel nieuwe wereld. Het is misschien de eerste kennismaking met spelen in een groep. Wellicht zal het moeten wennen aan een grotere groep met één juf of meester en is de dagindeling anders dan gewend. Het allerbelangrijkste is dat het kind zich op zijn gemak gaat voelen in de nieuwe groep en het een veilige plek is waar hij zich volledig geaccepteerd weet door de nieuwe leerkracht en de andere kinderen.

Hierdoor groeit het zelfvertrouwen van het kind en kan hij vanuit een nieuwsgierige houding, de wereld om zich heen steeds beter leren begrijpen en beïnvloeden.

De ontwikkeling van het kind zal worden bevorderd wanneer het zich meer betrokken voelt bij wat hij op school doet. Dit betekent dat kinderen zelf een belangrijke inbreng hebben bij ons onderwijs. Van groep één tot en met groep acht kunnen kinderen aangeven welke onderwerpen hen aanspreken en kunnen ze meedenken over de thema’s in de klas. De leerkracht houdt steeds in de gaten wat zinvol is en wat wordt toegevoegd aan wat kinderen al weten en kunnen. Door steeds een open oor te hebben voor de ideeën van de kinderen, werken leerkracht en kinderen samen bij het ‘maken’ van ons onderwijs.

Een duidelijk zichtbaar kenmerk van ontwikkelingsgericht werken is de aanwezigheid van speel/werkhoeken in de onderbouw. Dit zijn de bouw-, huis-, en schrijfhoek, maar ook bijv. een winkel en een wisselende themahoek. In midden- en bovenbouw zijn er thema- en leerhoeken, waarin kinderen leren zelfstandig informatie op te zoeken.
Een themahoek is herkenbaar aan het prikbord en de tafels ervoor, waarop veel informatie ligt dat met het onderwerp te maken heeft, zoals: boeken, folders, voorwerpen. De themahoek groeit naarmate er langer aan een onderwerp gewerkt wordt.
Bij het spelen/werken in hoeken wordt bij kinderen meestal een beroep gedaan op meerdere vaardigheden tegelijk. Dit vinden wij een groot pluspunt omdat de ontwikkeling van kinderen dan op meerdere terreinen tegelijk – en dus in samenhang – gebeurt. Het gaat hier enerzijds om ontwikkeling van bijvoorbeeld een actieve houding, het leren samen spelen en werken, communicatie, zich uiten, zelfstandigheid, reflectie, redeneren en probleem oplossen. Deze vaardigheden blijven de hele basisschool door van groot belang.
Daarnaast gaat het om de ontwikkeling van het lezen/schrijven, rekenen/wiskunde, motorische vaardigheden en andere meer vakspecifieke kennis/vaardigheden (zoals gekoppeld aan bijvoorbeeld aardrijkskunde of geschiedenis). Deze vaardigheden kennen een ontwikkelingslijn waarlangs kinderen zich gedurende de basisschool kunnen ontwikkelen.
Ter verduidelijking volgen nu enige voorbeelden van de hierboven genoemde ontwikkelings- gebieden:

Actieve houding:
Bij het ontstaan van een nieuw thema in de klas, kan een idee van één kind de aanleiding zijn voor een verkennend kringgesprek. Door de uitnodigende houding van de leerkracht spelen kinderen bij deze gesprekken een steeds actievere rol en krijgen ze veel ruimte voor initiatieven.
In de onderbouw gaat het gesprek vooral over wat de kinderen al weten en nog willen weten over een nieuw thema en wordt er door de leerkracht een praktijk uit de echte wereld aan gekoppeld waarin het spel centraal kan staan.

In de bovenbouw ontstaan gesprekken rondom (door kinderen) meegebrachte voorwerpen of boeken, waarmee het thema wordt verkend. Vanuit actuele gebeurtenissen (bijvoorbeeld ‘grote wateroverlast’) wordt het onderwerp verbreed en verder verdiept met delen uit bijvoorbeeld de aardrijkskunde-, geschiedenis- en natuurmethode. Hierbij gaat het vooral om de vragen; wat weten we al en wat willen we weten?

Samen spelen en werken en communiceren:
In de onderbouw gaat het hierbij onder andere om de hoeken waar ‘rollen’ gespeeld worden. Als kinderen bijvoorbeeld spelen in de huishoek, wordt er gepraat over wie welke rol gaat spelen. Daarbij leren ze te zeggen wat ze willen, iets aan een ander te vragen of iets met een ander af te spreken. Kinderen leren dan rekening te houden met elkaars wensen. Ook in de bouwhoek, de zandtafel, de winkel en de themaspeelhoek wordt de taal gekoppeld aan het spel.
In de bovenbouw gaat het vooral om het samenwerken bij bijvoorbeeld het maken van opdrachten of samen bespreken hoe je iets zou kunnen construeren of oplossen.

Themawerkuur:
Minimaal vier keer per week één uur werken de kinderen in groepen, waarbij één groep de instructiegroep is; de andere groepjes werken zelfstandig aan activiteiten binnen het kader van het thema. De leerkracht heeft dan tijd om met een klein groepje kinderen samen te werken.

Zich uiten:
We vinden het belangrijk dat kinderen goed leren praten en schrijven over eigen ervaringen, die over alledaagse dingen gaan. Wij noemen dit ervaringsteksten. Zowel in onder- als bovenbouw wordt gewerkt met een bepaalde techniek, waarbij het erom gaat de ervaring zo precies mogelijk duidelijk te krijgen. Dit lukt door gebruik te maken van de zintuigen (bijvoorbeeld ‘hoe zag het eruit?’, ‘hoe rook het?’ of ‘wat hoorde je?’).

In de onderbouw gaat dit vooral via tekenen en elkaar hierover vertellen, waarna de leerkracht samen met het kind het verhaal erbij schrijft. Onderwerpen zijn bijvoorbeeld ‘waar speel ik graag mee’ of ‘geluiden die je hoort als je in bed ligt’.In de bovenbouw wordt ook getekend en met elkaar gepraat, maar nu vooral als ondersteuning voor het zelf schrijven van de tekst. Het gaat er dan om de ervaring zo precies mogelijk te beschrijven. Kinderen worden zich hierbij beter bewust van hun eigen ervaringen. Onderwerpen in de bovenbouw zijn bijvoorbeeld ‘wat zag je toen je de deur opendeed’ of ‘wat is het laatste klusje dat je voor je vader of moeder hebt gedaan’.

Lezen en schrijven:
Hierbij gaat het erom dat kinderen zich bewust worden wat de functie is van geschreven en gedrukte taal. In de onderbouw zien we al de eerste tekenen van het herkennen en in het spel bezig zijn met letters. Een voorbeeld:

Rondom het thema ‘heksen’ konden er ingrediënten voor heksenrecepten worden gekocht in de ‘heksenwinkel’. Bij het maken van een boodschappenlijst voor hun toverrecepten maken kinderen ‘krabbels’ en zijn ze bezig met ‘zogenaamd schrijven’ of tekenen. Ook krijgen ze een ‘bonnetje‘ van de winkel. Zo leren ze tijdens het spel met geschreven en gedrukte taal omgaan, waardoor ze al spelend de betekenissen leren toepassen. Als het kind beseft dan zijn krabbels niet ‘echt’ zijn, zal hij letters willen gebruiken. Op dat moment kan een kind eraan toe zijn om met beginnende lees- en schrijfactiviteiten aan de gang te gaan. Het daadwerkelijke leren lezen gebeurt op een zo natuurlijk mogelijke manier, omdat het kind er dan het meeste plezier aan beleeft.

Het betekent dat wordt uitgegaan van woorden die horen bij het thema. Er wordt veel gebruik gemaakt van teksten die over het thema gaan.
Vanuit die tekst worden eerst losse woorden geleerd. Naarmate het kind meer letters leert, is het beter in staat nieuwe woorden te lezen. Omdat het lezen betrekking heeft op het thema is de belangstelling groot.
In de bovenbouw gaat het vooral om het besef dat de functie van schrijven is om een boodschap over te brengen. Omdat het eerst om de inhoud gaat en daarna over het taalgebruik, voelen kinderen zich serieus genomen in hun boodschap. Ze leren daarna hoe ze de inhoud het best kunnen overbrengen. Op deze manier zijn ze met stijl, spelling, zinsbouw en grammatica bezig, in een context die voor de kinderen van directe betekenis is.

Rekenen en wiskunde:
Hierbij gaat het in de groepen één en twee om: het herkennen en ontwikkelen van cijfers. Dit wordt al spelend aangeboden door bijvoorbeeld:
Een reisbureau in de klas waarbij kinderen telefonisch een ‘hotel’ kunnen boeken. Door het (net alsof) telefoneren leren kinderen de cijfers van een telefoon en de getallenrij van een tot en met negen. Nog een voorbeeld: de kinderen kunnen iets kopen in de winkel en daarbij moeten ze letten op wat er betaald moet worden volgens de prijslijst, waardoor de telontwikkeling wordt gestimuleerd.

In de groepen drie t/m acht wordt met een rekenmethode gewerkt. Er worden onder andere verschillende strategieën aangeboden omdat ieder kind zijn eigen tempo en niveau kent. De methode is een zogenaamde realistische methode, wat inhoudt dat er in het rekenboek voor de kinderen herkenbare situaties voorkomen, waarin zij uitgedaagd worden om zelf rekenopdrachten op te lossen. Het inzicht is daarbij veel belangrijker dan het trucje.

Cito-toetsen:
De laatste jaren zijn de toetsresultaten van de landelijke toetsen voor alle leerjaren steeds belangrijker geworden voor het volgen van de ontwikkeling van de leerlingen. We proberen met behoud van onze visie op onderwijs onze leerlingen ook goed voor te bereiden op de toetsen. We vinden het belangrijk dat alle leerlingen deze toetsen goed voorbereid kunnen maken. Ze zijn zich bewust van het belang van deze toetsen maar weten dat er ook andere zaken zoals werkhouding en motivatie een grote rol spelen. Wij toetsen vanaf groep 3, de toetsresultaten van de kinderen zijn voor de ouders inzichtelijk via het ouderportaal. Ouders kunnen alleen de toetsresultaten van hun eigen kind inzien.